Het Nederlandse stilleven 1550-1720

Geplaatst op donderdag 06 juni 2002 @ 20:43 , 1153 keer bekeken

In de 17de eeuw moeten er tienduizenden stillevens zijn gemaakt. Schilderijen op doek, paneel en koper die met liefde geschilderd zijn en gretig aftrek vonden: kleurrijke boeketten, sappig fruit, the overdadige pronkstillevens, de sfeervolle 'ontbijtjes' en adembenemende voorbeelden van het illusionistische 'ogenbedriegertje'. De schilderijen van de Nederlandse stillevenschilders gelden internationaal nog steeds als onovertroffen hoogtepunten binnen dit genre. Het is de bewondering voor de adembenemende weergave van materialen, de subtiliteit van de composities en de perspectivische hoogstandjes. Deze bewondering geldt ook voor de eenvoud, die vaak echter schijn is en voorkomt uit raffinement. Het is daarbij bijzonder dat deze schitterende werken doorgaans gemaakt zijn door kunstenaars die bij het grote publiek geen algemene bekendheid genieten. Wie kent er nu Floris van Dijck? En bij het horen van de naam Brueghel denken de meeste aan Pieter, de 'Boerenbreughel', maar niet aan diens zoon Jan, die met zijn bloemstukken tot de allergrootste meesters van het stilleven hoort. Wie heeft er ooit van Pieter van Anraadt gehoord, de maker van de mooiste geschilderde Goudse pijpen. Of Daniel Seghers, wereldberoemd in de 17de eeuw om zijn weergaloos mooie bloemstukken. Het stilleven in Nederland Zoals gezegd, de kwaliteit van de Nederlandse stillevens uit de 17de eeuw is uniek. Die bijzondere kwaliteit, het betoverende dat de beste stillevens eigen is, werd niet door een enkeling bereikt, maar door een vrij groot aantal kunstenaars. Het is bijzonder dat de bloeitijd in de Nederlanden zo lang heeft geduurd: meer dan een eeuw. Nog verbazingwekkender is dat het verbluffend hoge niveau daarna voor een groot deel verloren is gegaan. Uiteraard zijn er elders en later voortreffelijke stillevens geschilderd, maar de magie van de Nederlandse werken uit de periode 1550-1720 geldt lang niet zo sterk voor het latere werk. Deze magie is voor een groot deel te danken aan het 'verisme', het schijnbaar echt zijn. De schilders uit de 17de eeuw beschikten blijkbaar over technische mogelijkheden waarvan de magische sleutel in de loop van de tijd verloren is gegaan. De eerste stillevens dateren uit de tweede helft van de 16de eeuw. Pioniers als Pieter Aertsen en Joachim Beuckelaar schilderen markt- en keukenstukken vol met vlees, vis, groente en fruit. Saverij en Brueghel veroveren Europese vorstenhuizen met verfijnde bloemboeketten, samengesteld uit bloemen uit de (toen bekende) wereld. Rond 1600 wordt het stilleven in de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden een op zichzelf staand genre en gaan kunstenaars zich specialiseren. Zo muntte Floris van Dijck uit in kazen, Heda in zilver en Jan van Huysum in zijn boeketten. Coorte legt zich toe de geraffineerde eenvoud van schelpen, bessen of asperges. De Heem beheerst het uitbundige, gecompliceerde pronkstilleven tot in de puntjes. Naast de schilders die zich volledig op het stilleven wierpen, waren er anderen die incidenteel een stilleven vervaardigden. Voorbeelden hiervan in de tentoonstelling is het mysterieuze werk van Torrentius en de 'Dode Pauwen' van Rembrandt. De grote beheersing van de zogenaamde stofuitdrukking leidde tot een zeer opvallend en amusant type binnen het stilleven: het trompe l'oeil, in Nederland vrij vertaald als het 'ogenbedriegertje'. De weergave van bijvoorbeeld het brievenrek van Samuel van Hoogstratenis zo levensecht dat het de kijker bijna uitnodigt een brief uit het rek te pakken. Ook de documenten uit de kamer van de Theasaurier-Generaal in het Amsterdamse Stadhuis op het schilderij van Cornelis Brize zijn bijna tastbaar weergegeven De grote kracht van de Nederlandse stillevens uit de 17de eeuw ligt in deze superieure beheersing van de stofuitdrukking. Voor de stillevenkunstenaars moet de weergave van materialen dan ook een buitengewone uitdaging zijn geweest. Hoeveel schilders hebben niet geprobeerd het verschil in kleur te treffen tussen het wittige grijs van het zilver en het blauwige grijs van tin? Het resultaat: net zo mooi als het werkelijke voorwerp, of misschien nog wel mooier. Het is namelijk meer dan verf; het suggereert een werkelijkheid die de kunstenaar zelf zo mooi kan maken als hij zelf wil. Het spanningsveld tussen onze kennis en onze verwachtingen speelt hierbij een belangrijke rol: we weten dat het prachtig gedaan is en net echt lijkt omdat we de voorwerpen kennen en dus kunnen vergelijken. Zo ligt op Heda's 'Gedekte tafel met ham en broodje' een plakje afgesneden ham, afgesneden van het achterliggende stuk beenham. Heda slaagt erin het stuk beenham zo'n volume mee te geven dat het gewicht bijna voelbaar is. Het plakje daarentegen heeft geen enkele stevigheid. Toch zijn de zware ham en het transparante plakje met dezelfde verf geschilderd. De vrijheid Meer dan zijn collega's was de stillevenschilder bezig met de imitatie van de materialen in het platte vlak. Hij genoot daarbij een grotere vrijheid dan de meeste van zijn kunstbroeders: hij bepaalde zelf zijn uitdaging. Bovendien had hij de vrijheid om alle voorwerpen zo voor zich neer te leggen zoals hij dat zelf wilde. Het bloemstuk is niet een echt stuk natuur of een bestaand boeket, maar naar eigen goeddunken gearrangeerd, altijd in bloei en nooit verlept. Nog eigenzinniger is de schilder van de gedekte tafel. Ook hier schikt en herschikt de kunstenaar de levenloze voorwerpen tot hij zijn ideale arrangement vindt. Zo bezien lijkt de stillevenschilder oppermachtig; hij zet de natuur naar zijn hand, hij kiest voorwerpen om de mogelijkheden die zij hem bieden. Niemand heeft om deze keuze gevraagd, behalve een koperspubliek dat zich wil verbazen over het 'net echte'. Schilders leggen zichzelf een hoge moeilijkheidsgraad op en willen excelleren in een nog geraffineerder perspectief, nog glimmende koper en in een nog hardere stenen kruik. De betekenis Veel is nagedacht en geschreven over de betekenis van stillevens. Er wordt wel beweerd dat bij alle stillevens de vergankelijkheid een belangrijke rol speelt. Zeker is dat bij sommige stillevens dit 'vanitas' aspect een belangrijke rol speelt. Maar andere motto's als 'Vita brevis, ars longa' (het leven is kort, de kunst lang) of 'Non omnis moriar'(ik zal niet geheel sterven) duiden juist op de onsterfelijkheid van dit soort schilderijen. Anderen schilderijen bevatten expliciete religieuze boodschappen. Bloemen en guirlandes waren al te zien in middeleeuwse altaarstukken en miniaturen. Kunstenaars als Jan Brueghel en Daniel Seghers zetten deze traditie voort in hun religieuze scènes die omringd worden door dezelfde bloemen en guirlandes. Stillevens met boeken, schedels en zandlopers duiden op de overwinning van studie en wetenschap. Daarnaast wordt vaak de loftrompet gestoken over de economische welvaart in de Nederlanden in de 17de eeuw: exotische vruchten, bloemen en stoffen, door de VOC geïmporteerd of gedocumenteerd, maar ook de pijlers van de vaderlandse economie: haring, brood en bier. Welvaart die bereikt werd door vlijtigheid en zuinigheid. Bepaalde combinaties op schilderijen lijken soms zo uit recepten- en dieetboeken uit de 17de eeuw te zijn weggelopen: olijven moeten samen met kaas worden gegeten, perziken met rode wijn. Het mag duidelijk zijn: het zoeken naar een algemene betekenis van het stilleven is onmogelijk. Ieder werk bezit door zijn eigen specifieke compositie, onderwerp, lichtval en stemming een andere invalshoek. Bovendien bevatten veel stillevens simpelweg teveel verschillende voorwerpen om het één betekenis mee te geven. De markt Uit archiefonderzoek blijkt dat stillevenschilderijen in grote hoeveelheden zijn verzameld gedurende de periode 1600-1720. Aangetrokken door het talent van de schilders en betoverende schijnwerkelijkheid werden werken aangekocht door machtige opdrachtgevers als Rudolf II en de Italiaanse kardinaal Borromeo. Hoewel deze opdrachtgevers de ontwikkeling van het stilleven sterk beïnvloed hebben, was een schilder voor het grootste deel toch afhankelijk van de lokale markt. Er zijn opvallende verschillen in de verzamelpatronen tussen de Noordelijke en Zuidelijke (Spaanse) Nederlanden ontdekt. Zo waren de zogenaamde 'ontbijtjes', ingetogen en huiselijke tafelstukken, populair in Haarlem, terwijl de overdadige keukenstukken grote populariteit genoten in Antwerpen. De prijs van een stilleven werd bepaald door een groot aantal zaken waarvan de reputatie van de kunstenaar, de perfectie van de afwerking en de keuze van het onderwerp de belangrijkste zijn. Ook de uiteindelijke plaats in het huis speelde een belangrijke rol in de keuze van het onderwerp: grote keuken- en banketstukken hingen boven de open haard, bloemen- en fruitstillevens hingen als pendanten aan de muur.


Welkom bij Clubs!

Kijk gerust verder op deze club en doe mee.

Wat is dit?


Of maak zelf een Clubs account aan: